Bijna 1 op de 6 werknemers kiest voor een leasefiets via het werk wanneer die optie beschikbaar is. Dat is geen marginale trend meer. Het is een structurele verschuiving in hoe Belgische werknemers naar hun woon-werkverkeer kijken.
Voor fleet managers en HR-verantwoordelijken stelt dit concrete vragen. Past de leasefiets in jullie mobiliteitsbeleid? Wat zijn de financiële implicaties? En hoe beheer je straks een vloot die uit meer dan alleen auto's bestaat?
De aantrekkingskracht van de leasefiets is geen mysterie. Het is simpele wiskunde.
Een leasefiets — elektrisch, met onderhoud en verzekering inbegrepen — kost gemiddeld tussen 80 en 150 euro per maand. Een middenklasse bedrijfswagen zit aan 600 tot 900 euro per maand, afhankelijk van merk, model en contractvoorwaarden.
Dat verschil van 500 tot 800 euro per maand gaat ergens naartoe. In het klassieke model verdwijnt het gewoon — de werknemer krijgt een auto, de kosten zijn wat ze zijn. Maar het mobiliteitsbudget verandert die dynamiek.
Sinds de invoering van het federale mobiliteitsbudget kunnen werknemers hun bedrijfswagen inruilen voor een flexibel budget. Dat budget kunnen ze besteden aan milieuvriendelijkere vervoermiddelen (pijler 2) of uitbetalen in cash (pijler 3, weliswaar belast). Een werknemer die kiest voor een fiets in plaats van een auto houdt het verschil over.
De rekening is snel gemaakt. Stel dat een werknemer recht heeft op een mobiliteitsbudget van 800 euro per maand. Een leasefiets kost 120 euro. Het resterende bedrag kan naar een treinabonnement, een deelauto-oplossing, of — na belasting — naar de bankrekening.
Voor veel werknemers is dat aantrekkelijker dan een auto die ze eigenlijk niet nodig hebben.
Niet iedereen, en dat hoeft ook niet. De leasefiets werkt het best voor een specifiek profiel:
Woon-werkafstand onder de 25 kilometer. Boven die afstand wordt dagelijks fietsen voor de meeste mensen onrealistisch — zeker in de Belgische winter. Speed pedelecs verleggen die grens enigszins, maar ergens ligt een praktisch plafond.
Stedelijke of voorstedelijke omgeving. Wie in Brussel werkt en in Leuven woont, kan de trein nemen en de fiets gebruiken voor de laatste kilometers. Wie in een industriezone werkt zonder goede fietsinfrastructuur heeft minder aan die optie.
Functie zonder intensief klantcontact. Werknemers die dagelijks naar klanten rijden met materiaal in de kofferbak zijn geen kandidaten. Kantoormedewerkers, IT'ers, administratieve functies — daar zit het potentieel.
Uit de cijfers blijkt dat ongeveer 15 tot 20 procent van de werknemersbevolking in dit profiel past. Dat is geen meerderheid, maar het is significant genoeg om serieus te nemen.
Voor de TCO van je mobiliteitsbeleid heeft de leasefiets een dubbel effect.
Directe kostenbesparing. Elke werknemer die van auto naar fiets switcht, verlaagt je totale mobiliteitskosten. Het verschil is substantieel — we spreken over 6.000 tot 10.000 euro per werknemer per jaar.
Indirecte besparingen. Minder auto's betekent minder parkeerplaatsen nodig. In Brussel, Antwerpen of Gent tikt dat door: een parkeerplaats kost al snel 1.500 tot 3.000 euro per jaar. Minder auto's betekent ook minder schadegevallen, minder administratie, minder complexiteit.
Maar er is een keerzijde.
Toegenomen complexiteit. Fietsen beheren is anders dan auto's beheren. Andere leveranciers, andere contractstructuren, andere schadeafhandeling. Je fleet management moet die complexiteit aankunnen. Een Excel-sheet die prima werkte voor 50 auto's houdt het niet vol wanneer je daar 30 fietsen, 20 treinabonnementen en een deelauto-arrangement aan toevoegt.
De term "car policy" is eigenlijk al verouderd. Wat je nodig hebt is een mobility policy — een kader dat alle vervoermiddelen omvat.
De kernprincipes blijven gelijk. Je definieert budgetten per functieniveau. Je stelt kaders voor wat wel en niet mag. Je bewaakt de totale kostenenveloppe. Maar de invulling wordt flexibeler.
Modulair budgetsysteem. In plaats van "functie X krijgt automodel Y" wordt het "functie X krijgt mobiliteitsbudget Z, te besteden naar keuze binnen vastgestelde categorieën". De werknemer kan kiezen: volledig naar een auto, of verdeeld over auto plus fiets, of fiets plus openbaar vervoer plus occasionele deelauto.
Combinatieregels. Mag iemand een duurdere auto kiezen als hij daarnaast geen fiets neemt? Of is de fiets een aanvulling op het autobudget, niet een vervanging? Dit zijn keuzes die je expliciet moet maken.
Minimum- en maximumgrenzen. Om te vermijden dat werknemers kiezen voor een minimale mobiliteitsinvulling puur om het restbudget te cashen, kun je minimumbesteding definiëren. Omgekeerd wil je misschien een plafond zetten op luxe-opties.
De wetgever duwt richting vergroening en multimodaliteit. Dat is geen interpretatie, het is beleid.
Bedrijfswagens: De fiscale aftrekbaarheid van niet-emissievrije bedrijfswagens daalt. Nieuwe contracten vanaf 1 januari 2026 zien hun aftrekbaarheid bevroren en afgebouwd naar 0% tegen 2028. Enkel volledig elektrische voertuigen behouden hun 100% aftrekbaarheid (tot eind 2026), waarna ook die daalt — maar trager.
Fietsen: 100% aftrekbaar, zonder afbouw, zonder CO2-gerelateerde beperkingen. De fietsvergoeding (0,35 euro per km voor 2024, max 3.500 euro per jaar) is vrijgesteld van belastingen en sociale bijdragen.
Mobiliteitsbudget: Bestedingen in pijler 1 (milieuvriendelijkere wagen) en pijler 2 (duurzame vervoermiddelen, waaronder fietsen) zijn fiscaal voordelig. Pijler 3 (cash) is belast aan 38,07%.
De boodschap is helder: combineer een elektrische auto met een fiets, en je maximaliseert de fiscale voordelen voor zowel werkgever als werknemer.
De strategische keuze voor multimodale mobiliteit is één ding. De dagelijkse operatie is een ander.
Leveranciersmanagement. Je hebt straks contracten met een of meerdere autoleasemaatschappijen, een fietsleaseleverancier, mogelijk een deelautobedrijf, een openbaar vervoerabonnement-partner. Elk met eigen systemen, eigen facturen, eigen aanspreekpunten.
Eén overzicht. Een fleet manager moet kunnen zien: welke werknemer heeft welk mobiliteitspakket, wat kost dat, waar zitten de afwijkingen van het budget? Dat vraagt integratie van data uit verschillende bronnen.
Schadeafhandeling. Bij een auto weet je hoe het werkt: schadeformulier, omnium of niet, afhandeling via de leasemaatschappij. Bij fietsen is dat proces vaak minder uitgewerkt. Wat als de fiets gestolen wordt? Wat als een werknemer valt en de fiets beschadigd is? De afspraken moeten helder zijn.
Rapportering. Je CFO wil weten: wat geven we uit aan mobiliteit? Je HR-directeur wil weten: zijn onze werknemers tevreden met hun opties? Je sustainability officer wil weten: wat is onze CO2-voetafdruk? Dat rapporteren uit vijf verschillende systemen is een nachtmerrie.
De voorlopers in multimodale mobiliteit hebben een paar dingen gemeen.
Ze zijn begonnen met een pilot. Niet meteen het hele bedrijf omgooien, maar eerst 20 of 50 werknemers de keuze geven. Meten wat er gebeurt. Bijsturen waar nodig.
Ze hebben geïnvesteerd in tooling. Een fleet management platform dat auto's, fietsen en andere modaliteiten in één dashboard toont. Dat maakt het beheerbaar.
Ze hebben helder gecommuniceerd. Werknemers begrijpen niet automatisch hoe het mobiliteitsbudget werkt. Goede communicatie — wat zijn mijn opties, hoe maak ik een keuze, wat betekent dit voor mijn nettoloon — is essentieel voor adoptie.
De verschuiving richting multimodale mobiliteit is begonnen. 1 op 6 werknemers die kiest voor een leasefiets is het begin, niet het eindpunt.
De vraag is niet óf je hierop moet inspelen, maar hoe. Begin met data: welk deel van je werknemers zou kunnen fietsen? Wat zou de impact zijn op je totale mobiliteitskosten? Bouw een businesscase, start een pilot, meet de resultaten.
Wil je zien hoe een geïntegreerd mobiliteitsplatform eruitziet — auto's, fietsen en meer in één overzicht? Neem een kijkje op shiftbox.io. We laten je graag zien wat er mogelijk is voor jouw organisatie.